Mooie sier maken met de bosbouwvrijstelling

05-07-2013 door Jilles van Zinderen

Mooie sier maken met de bosbouwvrijstelling

Wel of geen bosbouwvrijstelling voor snoeien en verkopen van takken van eigen bodem?

Laten we ze Janssen noemen: Vader en zoon Janssen zijn tuinders in Nederland en hebben samen een bedrijf. Ze kweken planten in potten en hebben daarnaast een flink aantal bomen (en struiken) staan die ze snoeien. Het snijgroen verkopen ze op de veiling als siertakken. Geldt hiervoor de bosbouwvrijstelling?

De bomen staan al vele jaren in de volle grond op percelen van de tuinders. Het opgaande hout wordt intact gehouden. Wanneer de bomen uitvallen, worden nieuwe ingeplant, wederom voor de snoei. In 2007 hebben de tuinders bij de aangifte inkomstenbelasting verzocht om toepas- sing van de vrijstelling voor het bosbedrijf (de bosbouwvrijstelling) voor de winst die zij hadden behaald met de verkoop van de siertakken.

Bosbouwvrijstelling

De winst uit een bosbedrijf is vrijgesteld van belastingheffing. ‘Bos’ is daarbij een ruim begrip. Zo worden door de Belastingdienst bomen langs de weg of bomen rondom een boerderij ook beschouwd als een bosbedrijf. Het in stand houden van de bomen moet wel op de voorgrond staan. De winst die gemaakt wordt met die bomen is dus vrijgesteld van belastingen. De vrijstelling is met name bedoeld om het bosbezit in Nederland te beschermen.

In stand houden van bomen

De Belastingdienst besluit inzake de tuinders de bosbouwvrijstelling niet toe te passen. De tuinders maken bezwaar tegen dat besluit en ook in tweede instantie houdt de Belastingdienst voet bij stuk. De tuinders gaan daarom naar de rechtbank. Die geeft aan dat al sinds 1947 voor de toepassing van de bosbouwvrijstelling het in stand houden van de bomen op de voorgrond van het bosbedrijf dient te staan. De tuinders en de Belastingdienst verschillen van mening over de vraag of in dit geval het in stand houden van de bomen op de voorgrond staat. De tuinders geven aan dat er niet méér wordt gekapt dan wat bij normaal bosbeheer zou gebeuren. En als er al gekapt wordt, dan wordt er ook weer opnieuw ingeplant. De rechtbank is het met de tuinders eens dat de bomen in stand worden gehouden, maar meent dat dit niet op de voorgrond staat. De rechtbank is van mening dat het bedrijfsproces van de tuinders draait om het verkopen van snijgroen en niet om het in stand houden van de bomen. De Belastingdienst krijgt dus gelijk.

Appel

De tuinders zijn het niet eens met de uitspraak van de rechter en gaan in appel. Het gerechtshof in Den Haag is van oordeel dat de bomen in stand worden gehouden, omdat niet méér wordt gekapt dan bij normaal bosbeheer en er zo nodig herplant plaatsvindt. Het snijden van takken om die te verkopen is dan niet in strijd met de eis van instandhouding van de bomen. Naar het oordeel van het gerechtshof is aan de vereisten van een bosbedrijf voldaan en dus moet de bosbouwvrijstelling wel worden toegepast. De tuinders krijgen dus in appel gelijk.

Cassatie

De Belastingdienst is het niet met het gerechtshof eens en gaat in cassatie bij de Hoge Raad. De centrale vraag die in cassatie moet worden beantwoord blijft: staat het in stand houden van het bos bij dit bedrijf op de voorgrond? Waarom is deze vraag voor de Belastingdienst nu zo belangrijk dat hij daarover in cassatie gaat? De Belastingdienst beschouwt de verkoop van takken als kern van het bedrijf. De bomen zouden slechts in stand worden gehouden om deze ‘vruchten’ te kunnen plukken. En als deze tuinders gebruik kunnen maken van de bosbouwvrijstelling, hoe zit het dan met fruittelers die ook bomen in stand houden, letterlijk gericht op de verkoop van de vruchten? En mogen boomkwekers dan ook gebruik gaan maken van de bosbouwvrijstelling? Dat is nooit de bedoeling geweest van de wetgever, aldus de Belastingdienst.

Procureur-generaal

Voordat de Hoge Raad uitspraak gaat doen, heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad onlangs een zeer leesbare en informatieve conclusie over deze zaak geschreven. De procureur-generaal is een rechtsgeleerd adviseur van de Hoge Raad. Deze conclusies van de procureur-generaal, die vaak vol staan met relevante rechtspraak, literatuur en wetsgeschiedenis, worden doorgaans door de Hoge Raad gevolgd. De procureur-generaal is in deze zaak duidelijk. Wanneer het intact houden van de houtopstanden op de voorgrond staat, is er sprake van een bosbedrijf. Wanneer er niet méér wordt gekapt dan bij normaal bosbeheer en er na kappen herinplant volgt, is er sprake van intact houden van de houtopstanden en moet de bosbouwvrijstelling worden toegepast. Takken van bomen zijn volgens de procureur-generaal iets anders dan vruchten van bomen. Bij fruittelers staat het plukken van de vruchten op de voorgrond, zodat zij geen aanspraak kunnen maken op de bosbouwvrijstelling. Bij boomkwekerijen staat het kweken van bomen centraal en niet het intact houden van de houtopstand; ook daar dus geen aanspraak op de bosbouwvrijstelling.
De bosbouwvrijstelling impliceert dat de opbrengsten uit de exploitatie van bos worden vrijgesteld zolang die opbrengsten geen afbreuk doen aan de instandhouding van het bos, zodat daarmee het bosbezit in Nederland in stand wordt gehouden. Het snoeien en verkopen van takken valt dus volgens de procureur-generaal onder die exploitatie en dus moet de bosbouwvrijstelling worden toegepast bij deze tuinders. Nu is het nog de vraag of de Hoge Raad het met de procureur-generaal eens is. Het arrest wordt verwacht in juli 2013.

DIRECT CONTACT
MANZ Legal
Hooghiemstraplein 167
3514 AZ Utrecht NL
 
030-2718844
jilles.vanzinderen@manzlegal.nl